



Rechtspersonen die zijn onderworpen aan de bepalingen van BW 2.9 (zoals besloten en naamloze vennootschappen) moeten naast de inrichtingsjaarrekening ook een publicatiejaarrekening opmaken, bestemd voor deponering bij het Handelsregister. Een dergelijke verplichting geldt niet als de zogenaamde groepsvrijstelling van toepassing is, die hier verder onbesproken blijft. Bij het opmaken van deze publicatiestukken is het in veel gevallen de vraag welke informatie uit de inrichtingsjaarrekening verplicht onderdeel van die publicatiestukken moet uitmaken en welke informatie mag worden weggelaten.
Voor grote rechtspersonen is dat eenvoudig. De publicatiejaarrekening is gelijk aan de inrichtingsjaarrekening. Vrijstellingen of vereenvoudigingen zijn niet toegestaan.
Voor kleine rechtspersonen ontstaat ook geen probleem, omdat de publicatiestukken (beperkt tot balans met toelichting) beperkt mogen worden tot het wettelijk minimum.
Bij middelgrote rechtspersonen ligt het anders. De jaarrekening bestaat namelijk uit de volgende informatie:
a. informatie gebaseerd op de wettelijke voorschriften van BW 2.9;
b. informatie op basis van de stellige uitspraken in de Richtlijnen voor de Jaarverslaggeving;
c. overige informatie (al dan niet op grond van specifieke regelgeving, dan wel vrijwillig opgenomen informatie).
Door de Raad voor de Jaarverslaggeving is onlangs duidelijkheid verschaft over het onderhavige vraagstuk. Met betrekking tot publicatiestukken van middelgrote rechtspersonen geldt dat de door de algemene vergadering van aandeelhouders vastgestelde jaarrekening openbaar moet worden gemaakt. Hierbij mag alleen rekening worden gehouden met de expliciete in de wet genoemde vrijstellingen of vereenvoudigingen. Consequentie daarvan is dat de onder b en c genoemde informatie verplicht onderdeel wordt van de publicatiestukken. Voor informatie gebaseerd op de stellige uitspraken van de RJ is dit terecht. Voor vrijwillig opgenomen informatie ligt dat minder voor de hand. Overigens kan het opnemen van die vrijwillige informatie in publicatiestukken worden voorkomen door deze informatie niet in de inrichtingsjaarrekening op te nemen, maar in een afzonderlijke bijlage. Uw accountant kan u daarover verder informeren.



Het Fiscale Pakket Belastingplan 2010, dat zes wetsvoorstellen beslaat, is na enkele aanpassingen die deels in deze nieuwsbrief worden behandeld, op 19 november jl. - op één wetsvoorstel na - door de Tweede Kamer aangenomen. Indien de Eerste Kamer deze maand ook akkoord gaat met de voorstellen dan zullen deze deels op 1 januari 2010 in werking treden. Het wetsvoorstel Wet uniformering loonbegrip is op dit moment nog in behandeling bij de Tweede Kamer.
Voor een korte beschrijving van de op Prinsjesdag 2009 ingediende fiscale wetsvoorstellen wordt verwezen naar Maz! Online nr. 9. Hierna wordt kort ingegaan op een aantal van de na indiening van de voorstellen gedane aanpassingen. Op de nieuwe werkkostenregeling wordt in deze Maz! Online onder Werkkostenregeling vanaf 2011 ingegaan.
Wijzigingen BPM
De schijven voor dieselpersonenauto’s zullen ook gaan gelden voor auto’s met een affabriekaardgasinstallatie waarbij wordt uitgegaan van de CO2-uitstoot bij het rijden op aardgas. Bovendien wordt nog een extra korting van € 500 geïntroduceerd in de BPM voor deze aardgasauto’s voor de jaren 2010 tot en met 2013.
Bijtelling auto van de zaak
De forfaitaire bijtelling privégebruik voor nulemissieauto’s wordt verlaagd naar 0% in 2010 en geldt tot en met 2014. In het oorspronkelijke voorstel was voorzien in een bijtelling van 7% in 2012, 2013 en 2014. Onder een nulemissieauto wordt verstaan een auto met een rechtstreekse CO2-uitstoot van nihil.
De bijtelling voor auto’s van de zaak die meer dan 15 jaar geleden voor het eerst in gebruik zijn genomen wordt verhoogd van 25% naar ten minste 35% van de waarde van de auto in het economische verkeer.
Kleine banen
Van een kleine baan is sprake ingeval de werknemer jonger is dan 23 jaar en het loon lager is dan een voor die leeftijd bepaalde loongrens. Zo geldt voor een 22-jarige bijvoorbeeld een grens van € 600 per maand.
Voor deze kleine banen wordt de verplichte verzekering voor werknemersverzekeringen (ZW/WIA en WW) per 1 januari 2010 afgeschaft en de inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet op 0% gezet. Anders dan in het oorspronkelijke voorstel vervalt deze regeling nu in beginsel op 1 januari 2011.
Schenking van aanmerkelijkbelangaandelen
Zoals eerder gemeld wordt een doorschuiffaciliteit ingevoerd in de inkomstenbelasting ten aanzien van het schenken van aanmerkelijkbelangaandelen voor zover de bv een materiële onderneming drijft. In het oorspronkelijke wetsvoorstel gold hierbij de voorwaarde dat de verkrijger gedurende 36 maanden voorafgaande aan de verkrijging de functie van bestuurder heeft vervuld bij de vennootschap. Deze voorwaarde is vervallen. Voor toepassing van de faciliteit is het nu voldoende als de verkrijger gedurende 36 maanden voorafgaande aan de verkrijging in dienstbetrekking is van de vennootschap waarop de aandelen betrekking hebben.
Terbeschikkingstelling van een pand aan de bv
Met de invoering van de Wet inkomstenbelasting 2001 is de zogenoemde terbeschikkingstellingsregeling (tbs-regeling) geïntroduceerd. Op grond van deze regeling wordt de terbeschikkingstelling van vermogensbestanddelen aan een nv of bv waarin de belastingplichtige of een naast familielid een aanmerkelijk belang heeft, progressief belast in box 1 als resultaat uit overige werkzaamheden. Een pand dat vóór 2001 ter beschikking was gesteld aan de bv, is met ingang van 1 januari 2001 automatisch in de tbs-regeling terecht gekomen. Indien het ter beschikking gestelde pand vervolgens wordt overgedragen aan de bv, leidt deze overdracht tot de heffing van inkomsten- en overdrachtsbelasting. Teneinde de tbs-regeling te verzachten wordt tijdelijk de mogelijkheid geboden om een ter beschikking gesteld pand in te brengen in een nv of bv zonder heffing van inkomsten- of overdrachtsbelasting. Hierbij wordt overigens niet de voorwaarde gesteld dat het pand al vóór 2001 ter beschikking is gesteld. De faciliteit geldt alleen voor het jaar 2010. De faciliteit is ten opzichte van het oorspronkelijke wetsvoorstel op een tweetal punten uitgebreid. Ten eerste kan een uitreiking van aandelen tegenover de inbreng van het pand achterwege blijven in het geval de inbrenger alle aandelen houdt in de nv/bv. Ten tweede kan van de faciliteit ook gebruik worden gemaakt in het geval van vrije mede-eigendom van het pand of als het pand behoort tot een huwelijksgoederengemeenschap.
Uitbreiding EU met EER
Naar aanleiding van een arrest van het Europese Hof van Justitie zullen bepaalde faciliteiten die aan inwoners van een EU-lidstaat worden verleend, ook worden verleend aan inwoners van IJsland of Noorwegen. Het gaat hierbij onder meer om de vrijstelling van inhouding van dividendbelasting in deelnemingsverhoudingen tussen vennootschappen en de faciliteiten bij fusie van vennootschappen.
Integratie doorwerkbonus en arbeidskorting
Het voorstel tot integratie van de doorwerkbonus en de arbeidskorting is geschrapt.
Vereenvoudiging box 3
Het voordeel uit sparen en beleggen in box 3 voor de inkomstenbelasting wordt op een aantal punten vereenvoudigd. Zo zal vanaf 1 januari 2010 een vrijstelling gelden voor contant geld van € 500 per belastingplichtige. Verder zal vanaf 2011 nog slechts één peildatum worden gehanteerd, namelijk 1 januari van het kalenderjaar. In dat kader wordt het vanaf 2011 ook weer mogelijk om de gezamenlijke grondslag van sparen en beleggen in overlijdensjaren aan de partner toe te rekenen.
Eigenwoningregeling
Zoals eerder gemeld zal de goedkoperwonenregeling, op basis waarvan doorstromers naar een goedkopere eigen woning niet worden verplicht tot aflossing van een bestaande eigenwoningschuld, worden afgeschaft. Hier wordt echter alsnog voorzien in overgangsrecht. Als de aankoop van de nieuwe eigen woning vóór 1 oktober 2009 heeft plaatsgevonden en de verkoop van de oude eigen woning na 1 januari 2010, is het vervallen van de goedkoperwonenregeling nog niet van toepassing.
Overgangsrecht kapitaalverzekering eigen woning
Ongehuwd samenwonende belastingplichtigen zonder notarieel samenlevingscontract, gezamenlijk kind, gezamenlijke eigen woning of gezamenlijke pensioenregeling zijn vanaf 1 januari 2011 geen partners meer van elkaar voor de inkomstenbelasting. Dit kan betekenen dat een kapitaalverzekering eigen woning vanaf 1 januari 2011 niet meer aan de eisen voldoet. Dit zou onder meer betekenen dat afgerekend moet worden over de rentecomponent die op 31 december 2010 is begrepen in de waarde van de kapitaalverzekering op 31 december 2010. Om dit te voorkomen worden polissen die op basis van het tot 1 januari 2011 geldende partnerbegrip als kapitaalverzekering eigen woning kwalificeren vanaf die datum nog behandeld volgens de regels zoals die nog tot en met 31 december 2010 zullen gelden.

Onlangs heeft het Europese Hof van Justitie een antwoord gegeven op de vraag of de levering van een terrein met daarop twee oude panden die zullen worden gesloopt, is belast met btw of niet. In het laatste geval is 6% overdrachtsbelasting verschuldigd. De uitspraak kan in de praktijk ingrijpende gevolgen hebben. Bij de levering van een slooppand moeten voortaan alle omstandigheden waaronder de levering plaatsvindt in kaart worden gebracht om te kunnen bepalen of btw dan wel overdrachtsbelasting verschuldigd is.
Als een ondernemer een bestaand gebouw levert, is de levering van dat gebouw vrij van btw. In dat geval is wel 6% overdrachtsbelasting verschuldigd door de verkrijger. Wanneer een ondernemer echter een bouwterrein levert, is deze levering belast met btw. De verkrijging is dan vrijgesteld van overdrachtsbelasting.
Voor Nederlandse btw-doeleinden wordt als een bouwerrein aangemerkt onbebouwde grond ter zake waarvan met het oog op bebouwing, bijvoorbeeld, een bouwvergunning is verstrekt of in de omgeving waarvan met het oog op bebouwing voorzieningen zijn getroffen.
Aan de Hoge Raad is de volgende casus voorgelegd. Verkoper en koper waren de levering overeengekomen van een terrein met daarop twee oude panden. De verkoper zou ervoor zorgen dat de panden werden gesloopt maar de kosten terzake kwamen voor rekening van de koper. Alleen de verwijdering van asbest was voor rekening van de verkoper. Met de sloopwerkzaamheden werd begonnen op de ochtend van de dag van de levering. De sloop is na de levering voltooid.
De Hoge Raad twijfelde over de vraag of de levering van het terrein met de halfgesloopte opstallen was belast met btw en stelde vragen aan het Europese Hof.
Het Europese Hof heeft naar aanleiding van die vragen beslist dat een handeling bestaande uit de levering én de sloop van een gebouw - voor welke sloop de verkoper instaat - met als doel op die grond een nieuw bouwwerk op te richten, gelijk moet worden gesteld met de levering van onbebouwde grond. Niet van belang is hoever de sloop op het moment van de levering is gevorderd.
De Hoge Raad moet nu in de aan hem voorgelegde zaak nog beoordelen of het desbetreffende terrein met de halfgesloopte panden kan worden aangemerkt als een bouwterrein.
De uitspraak van het Europese Hof kan betekenen dat, wanneer bijvoorbeeld op het moment van de levering van een slooppand al sprake is van een bouwvergunning, de levering belast is met btw.
Voor meer informatie: btw@mazars.nl

Het wetsvoorstel tot wijziging van de Successiewet 1956, waaraan wij eerder aandacht hebben besteed in Maz! Online, nr. 7, is aangenomen door de Eerste Kamer en zal met ingang van 1 januari 2010 in werking treden. Sinds de indiening ervan heeft het wetsvoorstel nog een aantal wijzigingen ondergaan. Enkele van deze wijzigingen worden hierna kort besproken.
Tarieven
Met ingang van 2010 zullen de volgende tarieven gaan gelden voor de schenk- en erfbelasting.
| Gedeelte van de belaste verkrijging tussen | Indien verkregen door | ||
| Partner of kind | (achter) kleinkind | Overige gevallen | |
| € 0 - € 118.000 | 10% | 18% | 30% |
| € 118.000 - | 20% | 36% | 40% |
In sommige situaties zal sprake zijn van een tariefverlaging ten opzichte van de huidige situatie terwijl in andere gevallen juist van een tariefverhoging sprake zal zijn.
Van een tariefverhoging is bijvoorbeeld sprake in het geval van relatief kleinere verkrijging door kinderen van hun ouders. Daarvoor geldt nu nog een tarief van 5% of 8%. Het kan daarom verstandig zijn dergelijke schenkingen alvast in 2009 te doen.
Voor een groot deel van de andere verkrijgers, bijvoorbeeld voor neven of nichten voor wie het tarief nu nog varieert tussen 41% en 68%, geldt overigens dat het tarief in 2010 lager uitvalt dan in 2009. In die gevallen kunnen eventuele schenkingen juist beter worden uitgesteld tot 2010.
Vrijstellingen
De eenmalig verhoogde vrijstelling voor het recht van schenking voor kinderen tussen de 18 en de 35 jaar wordt uitgebreid van € 24.000 tot € 50.000 indien het geld wordt gebruikt voor een kostbare studie of voor de aankoop van een woning.
Partner
Voor ongehuwd samenwonenden zonder notariële samenlevingsovereenkomst blijft het mogelijk om als partner in de zin van de Successiewet 1956 te worden aangemerkt, waardoor het tarief tussen echtgenoten van toepassing is alsmede de verhoogde echtgenotenvrijstelling. In plaats van de notariële samenlevingsovereenkomst geldt dan als voorwaarde dat de samenwoning ten minste vijf jaar onafgebroken heeft geduurd en blijkt uit een inschrijving in de basisadministratie persoonsgegevens. Voor degenen die hieraan (nog) niet voldaan geldt de voorwaarde van de notariële samenlevingsovereenkomst bovendien pas vanaf 1 januari 2012.
Bedrijfsopvolgingsfaciliteit
De voorwaardelijke vrijstelling voor het successie- en schenkingsrecht van kwalificerend ondernemingsvermogen bedraagt thans 75%. Voorgesteld is deze voorwaardelijke vrijstelling te verhogen tot 100% voor ondernemingsvermogen tot een totale waarde van € 1.000.000. Voor het ondernemingsvermogen dat deze waarde te boven gaat, is een voorwaardelijk vrijstelling van 83% voorgesteld. Voor het restant kan gedurende tien jaar rentedragend uitstel van betaling worden verkregen.
ANBI/SBBI
Algemeen Nut Beogende Instellingen die momenteel gerangschikt zijn, ontvangen een brief van de Belastingdienst, waarin hen wordt gevraagd te verklaren dat zij per 1 januari 2010 aan de nieuwe regelgeving voldoen. Het betreft enerzijds het vereiste dat instellingen per genoemde datum voor ten minste 90% het algemeen belang moeten behartigen (thans is dat voor meer dan 50%) en anderzijds dat de bestuursleden en/of vertegenwoordigers van de instelling niet strafrechtelijk veroordeeld zijn. ANBI’s krijgen tot 6 januari 2010 de tijd deze brief te retourneren aan de Belastingdienst. Wordt de verklaring van de instelling niet ontvangen dan zal de ANBI-rangschikking met ingang van 1 februari 2010 worden ingetrokken. Een ANBI die niet voldoet aan het 90%-criterium kan mogelijk wel kwalificeren als de Sociaal Belang Behartigende Instelling (SBBI). De fiscale faciliteiten voor een SBBI zijn echter beperkter dan die van de ANBI.
Tot slot nog een paar aandachtspunten, zonder hierbij uitputtend te willen zijn:
Voor meer informatie: estateplanning@mazars.nl

De huidige systematiek van vergoedingen en verstrekkingen in de loonsfeer wordt vereenvoudigd per 1 januari 2011. Dit wordt bewerkstelligd via de zogenoemde werkkostenregeling. Het desbetreffende wetsvoorstel, waaraan wij eerder aandacht besteedden in Maz! Online, nr. 9, is op 19 november jl. door de Tweede Kamer aangenomen. Sinds de indiening ervan heeft het wetsvoorstel nog enkele wijzigingen ondergaan. De inhoud van het wetsvoorstel zoals dit is aangenomen wordt hierna kort weergegeven.
Het huidige systeem van 29 categorieën onbelaste vergoedingen en verstrekkingen wordt vervangen door een forfait van 1,4% van de fiscale loonsom.
Naast het forfait wordt een beperkt aantal gerichte vrijstellingen voor zakelijke kosten behouden. Enkele voorbeelden zijn vergoedingen voor verhuiskosten, extraterritoriale kosten en kosten voor congressen of cursussen. Ook intermediaire kosten – voorlopig gedefinieerd als ‘kosten van de werkgever die door de werknemer worden voorgeschoten’ – kunnen buiten het forfait worden vergoed.
Verder heeft de staatssecretaris van Financiën een aantal kosten aangeduid waarvan het voordeel in geval van verstrekking op nihil kan worden gewaardeerd. Dergelijke verstrekkingen komen dus ook niet in mindering op het forfait. Enkele sprekende voorbeelden hiervan zijn de verstrekking van laptops en mobiele telefoons voor zakelijk gebruik, werkkleding en consumpties tijdens werktijd.
Bij overschrijding van de forfaitaire ruimte komt de belasting over het meerdere via eindheffing voor rekening van de werkgever, tenzij sprake is van een gerichte vrijstelling. De hoogte van het toepasselijke eindheffingstarief is vastgesteld op 80%.
De werkkostenregeling is de afgelopen maanden veel besproken en bekritiseerd. Er bestaat twijfel of het systeem daadwerkelijk eenvoudiger zal worden. Bovendien zal de regeling niet voor alle werkgevers lastenneutraal zijn. Om werkgevers de gelegenheid te bieden zich aan de nieuwe regeling aan te passen, kan voor de jaren 2011, 2012 en 2013 jaarlijks worden gekozen tussen het huidige regime van vergoedingen en verstrekkingen ofwel de werkkostenregeling.
Voor meer informatie: loonbelasting@mazars.nl

De sociale zekerheidspositie van werknemers en zelfstandigen die in Europees verband grensoverschrijdend werken wordt op dit moment geregeld in EG Verordening 1408/71. Per 1 mei 2010 treedt een nieuwe verordening in werking: EG Verordening 883/04. Met name ondernemingen in de transportsector zullen tijdig maatregelen moeten nemen. De belangrijkste wijzigingen ten opzichte van de huidige verordening worden hierna kort beschreven.
Door een kwalificatieverschil van werknemer en zelfstandige kan onder de huidige verordening onderworpenheid aan twee socialezekerheidsstelsels ontstaan. Onder de nieuwe verordening is uitsluitend het land waar de persoon als werknemer kwalificeert heffingsbevoegd.
Werknemers en zelfstandigen die in verschillende landen werken waaronder het woonland, blijven sociaal verzekerd in het woonland mits aldaar minimaal 25% van het loon wordt verdiend of wordt gewerkt. Nu is het voor de Nederlandse Sociale Verzekeringsbank vaak nog voldoende om één dag per maand in het woonland te werken om verzekeringsplicht in het woonland te behouden.
Directeur-grootaandeelhouders (dga's) die zowel in Nederland als in België werken zijn onder de huidige verordening sociaal verzekerd in beide landen. Oorzaak hiervan is dat de dga in België als zelfstandige en in Nederland als werknemer kwalificeert. Onder de nieuwe verordening lost Nederland dit probleem op door de dga als zelfstandige aan te merken. De dga zal dan eerder verzekerd zijn in zijn woonland.
Werknemers in de internationale transportsector zijn momenteel vaak sociaal verzekerd in het land waar de werkgever is gevestigd. Onder de nieuwe verordening zal de werknemer eerder in zijn woonland verzekerd zijn. De werknemer is namelijk verzekerd in het woonland als hij meer dan 25% van zijn arbeidstijd en/of salaris in zijn woonland verricht respectievelijk verdient. Internationale transportondernemingen kunnen als gevolg hiervan worden geconfronteerd met een aanzienlijke administratieve last.
Voor situaties die op 1 mei 2010 reeds bestonden, kan worden gekozen voor gecontinueerde toepassing van de huidige verordening. Dit kan gedurende een periode van maximaal tien jaar en zolang de situatie niet wijzigt. De werknemer of zelfstandige kan er echter ook voor kiezen om de overgangsregeling niet toe te passen, bijvoorbeeld indien de premies in het andere land voordeliger zijn of het stelsel meer dekking geeft. Hiertoe dient vóór 1 augustus 2010 een aanvraag te worden ingediend bij het bevoegde orgaan van de lidstaat waar hij op grond van de nieuwe verordening sociaal verzekerd zou zijn.
Voor meer informatie: loonbelasting@mazars.nl


Volgens de Nederlandse wet bouwt een volledig arbeidsongeschikte werknemer alleen vakantiedagen op over de laatste zes maanden van arbeidsongeschiktheid. Gedeeltelijk arbeidsongeschikte werknemers hebben slechts aanspraak op vakantie over de gewerkte uren. Begin dit jaar heeft het Hof van Justitie EG een arrest gewezen op grond van een Europese richtlijn over vakantieopbouw tijdens ziekte, waaruit blijkt dat een werknemer tijdens arbeidsongeschiktheid volledige rechten opbouwt op vakantiedagen.
De Nederlandse wet die bepaalt dat er slechts vakantieaanspraak wordt opgebouwd over de laatste zes maanden van de ziekte, is dan ook strijdig met deze Europese richtlijn en de jurisprudentie van het Europese Hof. Het ministerie van Sociale Zaken onderzoekt momenteel welke gevolgen deze uitspraak heeft voor de Nederlandse wet.
In de tussentijd zou een werknemer met een beroep op het Europese recht kunnen eisen dat hij volledige vakantiedagen opbouwt, ook tijdens arbeidsongeschiktheid. Eind oktober 2009 heeft een werkneemster bij de kantonrechter Utrecht voor het eerst een beroep gedaan op de Europese richtlijn en het arrest van het Hof van Justitie. Zij heeft van haar werkgever een vakantiedagenopbouw gedurende haar gehele ziekteperiode van twee jaren gevorderd, in plaats van de haar toegekende opbouw van vakantiedagen over de laatste zes maanden van haar ziekte. De werkgever deed tijdens haar verweer in deze procedure een beroep op de Nederlandse wetgeving. De kantonrechter Utrecht oordeelde eind oktober 2009 dat op grond van het arrest van het Hof van Justitie van de EG begin dit jaar niet van het minimum aantal vakantiedagen per jaar mag worden afgeweken, ook niet als een werknemer arbeidsongeschikt is. De kantonrechter wijst erop dat de Nederlandse wet een wettelijk minimum heeft gesteld voor het aantal vakantiedagen per jaar (twintig vakantiedagen bij een fulltime dienstverband). De kantonrechter overwoog dat de werkneemster gedurende haar twee jaren van arbeidsongeschiktheid in elk geval dit wettelijk minimum aantal vakantiedagen heeft opgebouwd, en dus recht heeft op uitbetaling van veertig openstaande vakantiedagen na twee jaren ziekte. De Nederlandse wet wijkt dan ook ten onrechte af van de Europese regelgeving.
Werkgevers dienen er rekening mee te houden dat een werknemer met recht kan eisen dat bij ziekte minimaal de volledige opbouw van 20 wettelijke vakantiedagen per jaar wordt uitbetaald. Het lijkt nog slechts een kwestie van tijd totdat de wet op dit punt zal worden aangepast.

In een recente uitspraak van het gerechtshof Den Haag werd beslist over de vraag of de curator bij de verhuurder om vergoeding van een bedrag gelijk aan de door die verhuurder geïncasseerde bankgarantie kon vorderen. Deze uitspraak is voor alle verhuurders belangrijk. In dit artikel wordt hier nader op ingegaan.
Indien de huurder een bankgarantie heeft gesteld aan de verhuurder omzeilt de verhuurder, als hij tijdens het faillissement beroep doet op de bankgarantie, het beginsel dat alle schuldeisers gelijk worden behandeld (het zgn. “paritas creditorum” beginsel) en wordt hij voldaan door de uitwinning van de bankgarantie. Uiteraard dient de bankgarantie van voldoende omvang te zijn en dient in de tekst van de bankgarantie te zijn opgenomen dat deze niet alleen betrekking heeft op achterstallige huur maar ook strekt tot vergoeding van schade.
Er dient op te worden gelet dat de gang van zaken bij waarborgsommen anders is. Waarborgsommen die door de huurder ter beschikking zijn gesteld kunnen niet worden aangesproken voor een (gefixeerde) schadevergoeding doch enkel voor niet betaalde huurtermijnen. In tegenstelling tot een waarborgsom is een bankgarantie namelijk een “abstracte verbintenis” die los staat van de huurovereenkomst.
Uitspraak
Het Haagse hof heeft in zijn arrest van 7 april 2009 geoordeeld over een door een curator ingestelde vordering tot terugbetaling van een door de verhuurder uitgewonnen bankgarantie. In de huurovereenkomst was een beding opgenomen op grond waarvan de huurder gehouden was om aan de verhuurder alle schade (o.a. alle huurpenningen over de resterende looptijd van de overeenkomst) te vergoeden. Dit betrof schade die de verhuurder zou lijden als gevolg van de tussentijdse beëindiging van de overeenkomst door het faillissement van de huurder. De bank van de huurder had een bankgarantie ten gunste van de verhuurder gesteld op grond waarvan de verhuurder tot een bepaald maximum kon claimen voor alles wat de huurder verschuldigd zal zijn inclusief schadevergoedingen. De verhuurder maakte van de bankgarantie gebruik. Vervolgens stelde de curator tegen de verhuurder een vordering in tot betaling aan de curator van een deel van het bedrag dat de verhuurder van de bank had ontvangen, nl. het deel dat betrekking had op de schadevergoeding die de verhuurder had geclaimd. Daarnaast betwiste de curator de gehoudenheid van de bank om tot uitbetaling onder de bankgarantie over te gaan.
Het hof wees de vorderingen van de curator af en stelde vast dat de contractuele afspraken tussen verhuurder en huurder rechtsgeldig waren gemaakt ook al bepaalt een artikel uit de Faillissementswet dat de curator de huurovereenkomst tussentijds mag beëindigen. Voorts oordeelde het hof dat de bank geen juridische grondslag had om betaling aan de verhuurder te weigeren, gelet op de voorwaarden van de bankgarantie. De bank kan alleen de uitbetaling weigeren indien een claim bedrieglijk of willekeurig is, wat in casu niet aan de orde was.
Voor meer informatie: Pellicaan Advocaten.


Gedurende 2008 zijn als gevolg van de kredietcrisis de financieringsvolumes in vrijwel alle sectoren aanzienlijk teruggelopen. Het totale financieringsvolume is in het derde kwartaal 2008, ten tijde van de val van Lehman Brothers, circa 70% gedaald ten opzichte van een jaar daarvoor. Met deze veranderende marktomstandigheden is bij het indienen van nieuwe financieringsaanvragen een nieuwe trend zichtbaar. Dit heeft gevolgen voor de opzet van nieuwe financieringsaanvragen.
Voorheen werden kredieten voornamelijk verstrekt op basis van zekerheden zoals onroerend goed, inventaris, debiteuren en voorraden. In de jaren voor de crisis vond er een verschuiving plaats en werden financieringen vooral beoordeeld op basis van kasstromen en financiële ratio’s zoals de rentedekking (EBIT t.o.v. rentelasten), nettoschuld t.o.v. het operationeel resultaat (Netdebt to EBITDA) en de solvabiliteit. De nadruk van de financiering kwam daarmee met name op het toekomstpotentieel van de onderneming te liggen in plaats van op harde zekerheden. Nu banken met de economische malaise structureel uitstaande leningen hebben moeten afboeken is de risico-aversiteit weer toegenomen en de behoefte aan (harde) zekerheden teruggekeerd. Bankiers willen bij een eventuele liquidatie van de onderneming het verlies op uitstaande leningen zoveel mogelijk minimaliseren.
Nu er sprake is van een voorzichtig intredend herstel ziet MBCF een nieuwe trend bij financieringsaanvragen. Bij de verstrekking van financiering wordt door banken nu ook in toenemende mate gelet op scenarioanalyses op basis van sectorkennis. Hierbij is van belang wat de vooruitzichten zijn voor een sector, wat de positie is van een onderneming binnen die sector en hoe de onderneming presteert ten opzichte van de concurrenten. Hierdoor wordt de gevoeligheid van een onderneming voor macro- en micro-economische schommelingen inzichtelijk.
Uit deze sectorbenadering komt naar voren dat kennis van de sector en de positie van de onderneming in de keten van toenemend belang is geworden bij een financieringsaanvraag. Een adequate analyse, gecombineerd met scenarioanalyse op basis van deze sectorkennis, is onmisbaar voor een succesvolle financieringsaanvraag.
Voor meer informatie: Mazars Berenschot Corporate Finance B.V.